Op zaterdag 14 oktober begint de herfstvakantie. We keken er vanaf de eerste schooldag na de grote zomervakantie naar uit. In het speelkwartier maakten we alvast plannen om in de herfstvakantie uit te voeren. Ma ging dan sokken breien en pa maakte d’n hof winterklaar.

Door Berry van Oers

Beukennootjes

Met Sjaokske en Tontje gingen we in de herfstvakantie beukennootjes rapen op het protestantse kerkhof. We hadden onze zakken nog maar half vol toen de dominee ons betrapte. Snel sprongen we over de beukentuin. Sjaokske wist nog een andere plaats bij hem in de buurt waar je beukennootjes kon rapen. “Op het end van het padje naor de Gienderdoor lig ’t er vol mee”, wist hij.

Kastanjes

Joske had met zijn step een volle tas kastanjes geraapt aan het einde van de Kerkdreef. “Kekt is hoe gròòt ze zen en er liggen er hèèl veul”, zei hij trots. Maar Kiske lachte hem uit. “Die kunde ommes nie eten want da zen wilde kastanjes”, legde hij uit. “Sjeloerse bok”, riep Joske en stepte verder met zijn tas kastanjes naar huis. Zijn moeder gaf uitleg: “Het zen wilde kustannies jongen en die zen vergiftig!”

Broekzak

Ma troostte Joske en leerde hem de wilde kastanjes in beestjes te veranderen. Met luciferstokjes maakte ze er paarden, konijnen en kippen van. Opa had altijd een wilde kastanje in zijn broekzak. “Dan worde nòòt nie ziek. Da komt deur de straoling”, legde hij uit. Ome Jaonus had er zelfs in elke broekzak eentje. “Tegen de rummetiek” zei hij. Tante Mie had als het kermis was altijd drie wilde kastanjes bij zich. “Een oneven aontal. Da brengt ommes geluk in de liefde”, beweerde ze.

Bladeren

Wat genoten we van de wind, de grijze luchten en de lange avonden. In het bos bij het Putven doken we in de bladerbergen. Dat was lekker zacht. “Da doet Swiebertje ommes ok aatij”, zei Kriesje. We gooiden de bladeren in de lucht. Prachtig was zo’n dwarrelende bladerregen. Thuis legden we bladeren tussen de bladzijden van een boek om ze te drogen en te pletten. Daarna plakten we ze in een plakboek. De onderschriften varieerden van eikenblad, kastanjeblad tot esdoornblad.

Mastappels

Pa en ma haalden in het bos dennenappels in jute zakken. “Mastappels raopen”, zeiden ze dan. Ze gebruikten die om in de winter de kachel en het wasfornuis mee aan te maken. Soms vonden ze een hele grote dennenappel. Wij voetbalden daar dan mee. Koske kon het weer voorspellen met een dennenappel. Hij hing die buiten aan een touwtje. “As ie diecht is goaget rengelen en as ie òpen is wor het goei weer”, beweerde hij.

Aardappelen

“Vruuger hitte de herfstvakantie errepulvukkaassie”, vertelde opa. In die tijd moesten de kinderen meehelpen op de akker om de aardappelen te rooien. Dan bleven veel kinderen thuis van school en lieten ze de meester met een halve klas achter. Daarom besloot men van hogerhand de kinderen in de aardappeltijd voortaan een week vrij te geven. “Mar da was himmaol gin vukkaassie want we moessen de hèle wèèk werreken”, legde opa uit.

Kienkpuiten

Opa liet de afgevallen bladeren altijd gewoon op een hoop in d’n hof liggen. Oma maakte ons wijs dat daar kabouters onder woonden. Maar opa zei: “Daor slaopen de kienkpuiten in de wienter.” Stiekem keek Tontje in de winter eens onder die bladeren. “D’r zaat ginne kienkpuit onder mar ’n stèkelvèèrreken”, vertelde hij. Maar toen was de herfstvakantie al weer lang voorbij en maakten we plannen voor de kerstvakantie.