“Och gij!”, zeiden Chamenaren als ze verwonderd waren. Dat begon al op de kleuterschool aan de Gilzeweg. We waren de hele dag verwonderd. Nieuwsgierigheid gaat vooraf aan verwondering. Verwondering is het begin van alle wijsheid. Chaam was onze bron.

Door Berry van Oers

Nieuwsgierig

Wij hadden juffrouw Frank. Voor de andere kleuterklas stond een eerwaarde zuster, een non. Wanneer juffrouw Frank ziek was paste de vriendelijke non ook op onze klas. Ze droeg een lang habijt en had een kapje op. Wat waren we nieuwsgierig naar het kapsel onder dat mysterieuze kapje van de zuster. “Ze hèèt krullekes”, beweerde Johnneke. ”Och gij!”, zei Martje.

Onderzoek

Bij opa op de ‘werft’ stond achter de kippenkooi een langwerpige ronde lege giertank. Nieuwsgierig als we waren gingen we op onderzoek uit en kropen in de tank. “Het stienkt hier naor rotte aaieren”, zei Joosje. Plotseling deed iemand het deksel dicht. Uren later in het pikkedonker hoorden we oma roepen. Toen we terugriepen bevrijdde ze ons en haalde de wasteil.

Ontdekkingsreizigers

In het Putven lag een eilandje. Volgens Tontje woonde daar iemand. “Och gij!”, zei Wimmeke verwonderd. We bouwden een vlot van takken en stammen. Als echte ontdekkingsreizigers meerden we aan bij het geheimzinnige eiland. Er bleek niemand te wonen. Wat een afgang! Bij terugkeer aan wal besloten we gewoon te vertellen dat we iemand op het eilandje gezien hadden. ’s Anderendaags kwam de politie in de klas vragen om de mysterieuze eilandbewoner te beschrijven.

‘Jeetje!’

“Jeetje”, riep Marianneke verwonderd toen ze door de Kerkdreef stepte en daar de vele bramen in de berm zag groeien. We plukten ze. Ma maakte er jam van en saus voor op de custardvla. We kwamen Koske tegen. Hij had een fiets met een doortrapper. Koske kon niet op tijd stoppen en reed dwars door de bramenstruiken. “Jeetje, wa kwèèk ie”, vertelde Marianneke.

‘Da minde nie!’

“Da minde nie!”, riep Pietje toen Sjaokske hem vertelde over wat er in de Rette was gebeurd. Jan, die op d’n Berg woonde, kwam daar tegen de avond op de brommer met zijn jachtgeweer aanrijden. Over de weg was een ‘piendraod’ gespannen. “Om de koeien over te laoten stèken”, legde Sjaokske uit. Jan zag de draad niet en minderde geen vaart. Te laat! Hij sloeg over kop en belandde in de sloot. “Och gij!”, zei Fraaske verwonderd. “We hangen er veurtaon n’n keusmieszak aon”, beloofde Sjaokske.

‘Jezusmina!’

Kapelaan Dictus leerde ons dat er veel meer is dan dat we kunnen zien. “Da kunde allèèn mar gewaorworren”, legde hij uit. “Jezusmina!”, zei Joske verwonderd. De kapelaan vertelde over de eeuwigheid, onze eindbestemming. We begrepen het niet maar voelden wat hij bedoelde. “Agge ouwer wordt, komde daor ommes vaneiges aachter”, volgens de kapelaan. “Och gij!”, zei Kiske.

‘Gin Wonder!’

Girtje kwam de werft op fietsen met iets nieuws. Het was een lange bruine worst. Hij had hem in de cafetaria bij Kriesje naast Emma gekocht. “Des n’n berenlul”, vertelde Girtje. “Och gij!”, zei Tontje verwonderd. We mochten allemaal een stukje proeven. De frikandellen groeiden uit tot populairste snack van Nederland. Tontje: “Gin wonder, want des wa aanders as ’n knakwosje!”