Het biljartseizoen in Chaam draait op volle toeren. We werden al op jonge leeftijd ingewijd in de edele biljartsport. “Biljerten”, noemde pa dat. Nobuaki Kobayashi, Raymond Ceulemans, Ludo Dielis, Rini van Bracht en Hans Vultink waren onze helden.

Door Berry van Oers

Kruipkelder

Ome Harry had zijn kruipkelder uitgegraven om er een biljarttafel, een echte Gabriels, in te zetten. Elke keer wanneer we op bezoek waren bij ome Harry mochten we naar hartenlust biljarten. “Ge mot oew keu horizontaol houwen, aanders stikte deur ’t laoken”, leerde ome Harry ons.

Pomeransjes

Met blauwe blokjes krijt brachten we de pomeransjes aan de punt van de biljartstok, de keu, in gereedheid. Ome Harry sneed zelf pomeransjes uit zijn oude broekriem. Hij gebruikte daar gewoon een ‘errepelschelmeske’ voor en een stukje schuurpapier. “Eigen gesneeën pommeraaskes geven goei effect”, meende hij. Tussen de lampen boven het biljart hing een bierviltje met daarop ‘niet roken!’

Krukje

Met de ene witte biljartbal probeerden we de twee andere ballen te raken. We stonden nog op een krukje om erbij te kunnen. “Goed krijten want aanders ketsen de bollen mannen”, gebood ome Harry. Hij hield de stand bij. “Poedel, nul opschrijven”, riep Harry. Dat betekende dat we gefaald hadden en nul punten kregen. Maar dat hoefde hij niet op te schrijven, want dat wisten we zelf ook wel.

Buitenlust

We gingen iedere zaterdagnamiddag biljarten bij ‘Buitenlust’ aan de Gilzeweg waar Neel van Opstal woonde en later Piet Reijns. De stamgasten keken dan toe hoe we mekaar inmaakten bij een potje ‘tien over de rooie’. Als je terugkwam van de WC kon je er donder op zeggen dat er stiekem een paar punten op het scorebord van de tegenpartij waren bijgeschreven. De kameraadschap vierde hoogtij.

Commentaar

De rook was te snijden. “Mooie bal, niet te dik en niet te dun”, zei Sjaok. “Ik zou ‘m zo pakken”, legde Jan uit. “Ge mot ‘m aachterlangs nemen”, adviseerde Piet. “Stille omgang”, concludeerde Toon wanneer je geen enkele bal raakte. Dat ging zo door totdat het busje voorreed om de vrijgezellen naar de ‘IJzeren Man’ te brengen en we rustig zonder commentaar verder konden biljarten.

Zwaaier

“Het zen gin aaieren”, zei Koske als je te zachtjes stootte. Hij biljartte dagelijks. “Ik heb al jaoren gin keu mir aongeraokt”, zei Koske altijd wanneer hij tegen een onbekende speelde. Toon was een zwaaier. Wanneer hij aan de beurt was en je er toevallig achter langs liep kon je een por van zijn keu verwachten. Daar hoefde je bij Kiske niet bang voor te zijn. Hij was een denker die de posities bij het driebanden van meerdere kanten bekeek vooraleer hij aanlegde, vooral als hij de nastoot had.

Ceulemans

Afijn, onze prijzenkast raakte vol. In Rijen gaven Raymond Ceulemans en Ludo Dielis een demonstratie. Dat smaakte naar meer. Daarom tuften we op een zondag met de Pallas vol Chaamse ‘kampioenen’ richting Mechelen naar het café van Ceulemans, de beste biljarter aller tijden. “Awel, de Raymond is nie thoois zunne”, zei de ‘smorende’ madam achter het buffet. Niettemin kwamen we aan onze trekken, want het café van Raymond stond vol met biljarttafels.

Experimenteren

Toen ‘Buitenlust’ dicht ging weken we uit naar de ‘Stad Lourdes’ in Meersel-Dreef en ‘De Posthoorn’ in Meerle. Daar experimenteerden we met doorstoten, trekstoten en piqueren. We biljartten op vrijdagavond, zaterdagavond en zondagmiddag en in de vakantie bijna iedere dag. Totdat we trouwden. Toen stopten we met biljarten. Trouwens ook met roken.