Wij werden al vroeg ingewijd in de edele duivensport door ome Pietje en ome Toontje. Allebei hadden ze een eigen duivenhok bij opa op de ‘werft’. Op zondagen zaten ze uren te turen in de verte in afwachting van de duiven die elk moment op de klep konden vallen.

Door Berry van Oers

Paaltje

Kiske gaf een spreekbeurt over duiven. Hij had een echte postduif bij zich in een kartonnen doos. “Tis n’n doffer”, zei hij in vaktaal. Kiske vertelde dat duiven altijd meteen terug naar hun hok vliegen. Hij demonstreerde dat door de duif buiten voor het raam van de klas los te laten. De duif vloog meteen weg maar landde op een paaltje twee meter verder. Uren bleef de doffer daar zitten. De meester deed de gordijnen maar dicht.

Cent

Sjaokske had gummiringen van de duiven van zijn ome Tiest gekregen. Ze waren lichtgroen en je kon ze ver uitrekken. We deden er een cent in. Dan kon je die in je mond doen en er op blazen zodat de gummi begon te trillen. Dat leverde een apart geluid op. Sjaokske kon er ‘Ik ben met jou niet getrouwd’ van Tony Bass op blazen.

Gewond

Wij hadden sierduiven. Op een dag zat er een postduif bij. Hij is nooit meer weggegaan. We noemden hem onze ‘blauwe geschelpte’. Op een avond trof ik op de vensterbank van mijn slaapkamer een zwaargewonde duif aan. Heel zijn borst lag open. Wekenlang verzorgde ik het beestje. Langzaam genas de duif van zijn wonden. Na een tijdje zei pa: “Ge mot ‘m laoten gaon. Hij is er ommes klaor veur.”

Pootje

We deden met een elastiekje een papiertje om het pootje van de duif met daarop uitleg over wat er met de duif was gebeurd. We schreven er ons adres bij. Wie weet? Enkele dagen nadien ontvingen we een reactie op de luchtpost van een duivenmelker uit Dongen. Hij was erg dankbaar dat we zijn duif zo goed verzorgd hadden. Het was zijn beste prijsduif. Nog lang ontving ik elk jaar een kerstkaart van de Dongense duivenmelker met daarbij een blakende foto van mijn gevederde patiënt.

Top

In de stalkeuken bij opa kwam de top van het Chaamse duivenmelkersgilde samen. Sjar, Pietje en Jan konden uren over hun geliefde duiven praten. “Volgende week gaon ze naor Dax”, zei Pietje. Hij droeg altijd een grijsblauwe stofjas. “Wocht mar todda ze naor Orleaas motten”, dreigde Jan dan en zette zijn alpino nog even recht. Ome Toontje leerde ons de duiven in één hand op te pakken met de pootjes tussen de wijs- en middelvinger. Met de duivenmand achterop fietste hij wekelijks naar Buitenlust. “Hij is wir blijven hangen aon de Gielseweg bij het inkurreven”, zei oma dan.

Scheiding

We mochten altijd mee als pa de jonge duiven van ome Pietje wegbracht in zijn ‘Peusio’ om ze op de leiden tot prijsduiven. Eerst bracht Pa de duiven naar het Putven om ze los te laten en daarna steeds verder weg helemaal naar Turnhout totdat ze klaar waren voor het grotere werk. Vlak voor hun vertrek naar Frankrijk scheidde ome Pietje de doffers van de duivinnen. “Dan vliegen ze ommes kaaihard terug”, legde hij uit.

Witpen

Als de duiven in aantocht waren mochten wij niet buiten spelen want anders zouden ze niet durven te landen. Ome Pietje en ome Toontje liepen dan zenuwachtig rond hun duivenhok met een handvol ‘voeier’ om hun duiven te verwelkomen. En ja hoor, in de verte zagen we ze aankomen. “Daor komt munne wietpen aon, ziede gij da beesje mee z’n vleugels slaon”, riep Pietje dan in tranen van vreugde. Dat waren nog eens zondagen!