Als Sinterklaas voorbij was begon het. Pa haalde dan een kerstboom en ma bracht de kerstspullen naar beneden. In de klas vertelde de meester over het kindje Jezus. Ook de pastoor raakte er niet over uitgepraat. Voor in de kerk stond een enorme kerststal tussen wel twintig kerstbomen. De beelden leken groter dan wij en ’s nachts droomden we dat we op de kameel van de drie koningen door de Dorpsstraat reden.

Door Berry van Oers

Kerststal

De kerstvakantie brak aan. We speelden bij opa in de stal, onze eigen kerststal, helemaal voor ons alleen. Marianneke was Maria en Joske voor even Jozef. Girtje en Bartje verkleedden zich als herders. Opa’s knol en zijn laatste overgebleven koe speelden voor de ezel en de os. Opa’s Mechelse herder en de poes van oma waren de schapen. De hooiruif van opa’s knol was het kribbetje. Een beschimmelde taaitaaipop aan een elastiek was bevorderd tot kerstengel.

Kerstkindje

De bloemen stonden op de stalruiten, maar binnen in de stal was het gezellig. De os en de ezel hielden ons warm. Kerstmis naderde snel. We waren in afwachting van het kerstkindje. Marianneke haalde het kindje pardoes onder haar trui vandaan en legde het in het kribbetje. “Er is een kinneke geboren op aard!”, zei ze. Sjaokse had voor iedereen een stukje van de kerststol met amandelspijs uit pa’s kerstpakket meegenomen. Kerstmis kon beginnen.

Vrieskou

Plotseling werd er geklopt op de staldeur. “Hoor wie klopt daar kinderen”, vroeg Bartje. “Een vreemdeling die verdwaald is zeker”, dacht Girtje. Sjaokske deed open. Het waren een broertje en een zusje die nog maar pas in Chaam woonden. “Het zen er van de noewe wijk, ammaol import”, zei Sjaokske en stuurde ze weg de vrieskou in.

Barbiepopje

De amandelspijs smaakte ineens niet meer. De ezel en de os waren weer gewoon opa’s knol en zijn laatste overgebleven koe. De herders waren Girtje en Bartje met een beddensprei en een tafelkleed om. De schapen blaften en miauwden. De engel was een taaie taaitaaipop. Maria en Jozef bleken Marianneke en Joske te zijn en het kindje een barbiepopje.

Bethlehem

De warme kerststal was weer opa’s koude stal die vol met rommel stond. “Ik gaoi naor ruis want er is ommes niks mir aon”, zei Sjaokske. Onderweg passeerde hij het broertje en zusje uit de nieuwe wijk. Het voelde niet goed. Sjaokske wist dat het niet de amandelspijs was die zwaar op zijn maag lag en draaide om. “Wulde gullie mee òòs in het stalleke van Bethlehem kòmen speulen”, vroeg Sjaokske.

Ommekeer

Het broertje en het zusje uit de nieuwe wijk waren verrast door de plotselinge ommekeer van Sjaokske en vroegen zich af waarom ze nu ineens wel welkom waren in het Chaamse kerststalletje. Maar Sjaokske kon daar geen antwoord op geven. “Ik wit nie warrom ik zee da gullie nie mee meut doen”, zei hij beschaamd.

Antwoord

Met z’n drieën gingen ze terug naar opa’s warme stal, welkom geheten door Jozef en Maria, de herders, de engel, de schapen, de os en de ezel. Sjaokske trakteerde de twee nieuwkomers op lekkere kerststol met amandelspijs. Met z’n allen tuurden we naar het kindje in het kribbetje. Ineens wist Sjaokske het antwoord op de ommekeer van zijn hart. “Het kwaam deur het kiendje”, zei hij in tranen. “Gift niks jongen”, fluisterde Marianneke.

Drie koningen

Ome Harrie, ome Pietje en ome Toontje zagen vanuit het keukenraam de staldeur open en dicht gaan. “Gaoi eens kijken wa ze ammaol uitspòken”, zei oma. Stiekem keken de drie suikeroompjes door het stalraampje. Ongeschoren in de schemering leek ome Harrie op koning Melchior. Ome Pietje met zijn alpinopet was net Caspar, koning van Tharsis en van het eiland Egryscilla. Ome Toontje, de jongste van het stel, kon wel doorgaan voor koning Balthasar.

‘Stille Nacht!’

Onze Chaamse kerststal was compleet. Zo was het pas echt Kerstmis. Bartje pakte zijn mondmuziek en op de melodie van ‘Stille Nacht’ zongen we: “Kesmus in Chaom. Blommen op het raom. Het kiendje slaopt en is moei. Verwermd deur een knol en een koei. D’n engel hangt aon een elastiek. Bartje speult op zijn mondmuziek. Tis echt waor wa ik oew zeg. Het gebeurde ammaol in òòs stalleke aon d’n Ellecotseweg!”