In de wintermaanden zette ma vaak stamppot op tafel. Ze had een uitgebreid assortiment aan stamppotten variërend van hutspot, boerenkool, prei tot zuurkool, afgewisseld door spruiten. ”Wienterkost”, noemde ma dat.
Door Berry van Oers
Boerentoppen
Boerenkoolstamp noemden ze in Chaam ‘boerentoppenstaamp’. Ma schotelde ons de boerentoppen pas voor na het eerste nachtvorstje. “D’r mot overhennen gevroren hebben, aanders smaoken ze ommes nie”, zei ma. Dat geldt trouwens ook voor spruiten. “Nao de vorst zen ze nie mir zo bitter”, volgens ma. Gelijk had ze.
Rookworst
In het midden van de ‘boerentoppenstaamp’ op ons bord maakten we een kuiltje. Daar deden we een scheutje azijn in en roerden dat door de stamp heen. “Dan zit er meer smaok aon”, leerde ma ons. Ze serveerde er schijfjes rookworst van Zwan bij. Bij aankoop van twee worsten kreeg je er een sleutelhanger bij cadeau met een minirookworstje van kunststof eraan.
Keulse pot
Zuurkoolstamp noemden ze in Chaam ‘zurkolstaamp’. Bij opa maakten ze zelf zuurkool in stenen potten. ‘Keulse potten’, noemden ze die. Er ging witte kool in met zout. Na een tijdje werd de kool zuur. De Keulse potten stonden bij opa in de kelder en heel de familie kwam er in de winter een ‘maaltje’ zuurkool lenen. Ook wij. Later kochten we zuurkool in een plastic zakje en zetten we de Keulse potten in de tuin met viooltjes er in.
Peestamp
Hutspot noemden ze in Chaam ‘peestaamp’. Pa haalde de winterpenen eind november uit de grond en bewaarde ze in een houten veilingkist op een donkere plaats van de schuur. “Zo rotten de wienterpeejen nie zo gaauw”, leerde hij ons. “Haol noggus een maoltje uit de kiest”, zei ma. Ze veranderde de winterpenen en de aardappelen in peestamp met een stamper. We noemde de stamper een ‘peestaamper’, alhoewel je er van alles mee kon stampen. Later kreeg ma een ‘passevite’, een vernuftig apparaat met een handmatig draaimechanisme. Als je daar de aardappelen en de groenten doorheen draaide was de stamp lekker smeuïg.
Wecken
De stamppotten wisselde ma af met boontjes. Ma had ze in de zomer al geplukt en ze meteen in weckpotten gedaan. Daarna gingen de potten in de weckketel om ze te verhitten, met als resultaat dat de boontjes lang goed bleven. In de winter maakten we de potten open. De boontjes waren dan wel wat flets maar nog best te eten. Heel oma’s kelder stond vol met weckpotten. Soms bleven we in de winter mee eten. “Allee, haol noggus gaauw ne pot”, zei ze dan.
Groenteman
“Ik hou er mee op”, zei ma toen de groenteboer in de winter ook boontjes ging verkopen. Dat scheelde een hoop werk. Pa zette voortaan zijn verfkwasten in de weckpotten. De weckpotdeksels waren handig als onderzetter. De dekselklemmen deden dienst als ophanghaak en de platte rode elastieken gebruikten we voor onze katapult. Elke morgen om half tien luisterde ma naar de radio om ideetjes op te doen voor het warm eten: “Tja tja tja, wat zullen we eten. Tja tja tja, wie kan het weten. Wie is de man die mij dat zeggen kan? De groenteman!”
Praai
Prei noemden ze in Chaam ‘praai’. De groenteman van de radio adviseerde de winterprei te stoven in azijn. Maar dat lustten wij niet. Ma sneed de prei in ringen en kookte die dan gaar. We ‘bouwden’ er een gehaktbal door. Dat was pas lekker. Tante Sjo bewaarde het kookvocht van de prei. Als ze blaasontsteking had nam ze een teug. “Dan bende er ommes zo vanaf”, zei ze.