Op de lagere school hadden we allemaal kort haar. We lieten het om de twee maanden knippen door kapper Bernard in zijn gezellige kapsalon aan de Chaamse Dorpsstraat. “Doet er mar flienk wa af Bernard”, zeiden we dan. Bernard knipte ons altijd vakkundig, volgens de mode destijds, met een kaarsrechte pony, twee centimeter boven de wenkbrauwen.
Door Berry van Oers
Bloempot
Op een keer probeerde Bernard een ander concept uit. Hij knipte de pony gekarteld. “Da noemen ze ’n rattekopke”, legde hij uit. Er waren ook klasgenoten die niet naar Bernard gingen. Ze werden thuis door hun moeder zelf geknipt. Ze kregen dan een bloempot op, zodat ma het haar dat eronder uitstak mooi recht kon afknippen. “Een bloempotkapsel”, noemden we dat. Anderen hadden minder geluk wanneer hun vader de beide zijkanten zonder pardon kaal schoor. Wekenlang hielden ze dan hun muts in de klas op totdat het haar was aangegroeid.
Bietel
Toen we in de stad naar school gingen lieten we, op een enkeling na, onze haren groeien. ‘Langharigen’, werden we genoemd door de kortharigen. Onze voorbeelden waren Armand, Wally Taks en Boudewijn de Groot. Jongens met lang haar, liefst stijl tot op de schouders en met de scheiding in het midden, streden voor hun idealen. Ze kondigden de nieuwe tijd aan. Lang haar ‘had’ je niet, lang haar ‘was’ je. Opa vond het maar niets. Hij was een kortharige. “Ge bent net n’n bietel”, zei hij dan.
Biering
De oudste broer van Pirke, ‘hullie’ Toon, was ook een langharige. Toen hij in militaire dienst moest, werd hij daar verplicht gekortwiekt. We kenden Toon niet meer terug toen hij met weekendverlof thuis kwam. Hij hoorde als overtuigd langharige ineens bij de kortharigen. Toon trok veel bekijks met zijn opgeschoren kopje bij d’n Biering in ‘Baol’. Het was de laatste keer dat hij daar op zondagavond op zijn Puch naar toe tufte.
Matje
Jantje was zijn tijd vooruit. Hij had zijn haar van voren kort en een matje vanachter laten groeien, een soort David Bowie ‘avant la lettre’. Overal liet hij trots zijn ‘nektapijtje’ zien. Hij stal de show als hij door de Dorpsstraat fietste met zijn matje in de wind. Later doken er meer ‘matdragers’ op in Chaam. Ook op de Chaamse campings, waar veel Hagenezen recreëerden, zagen we matjes. Dat waren ‘Haagse matjes’, niet te verwarren met ‘Chaamse matjes’ zoals die van Jantje.
Coupe
Op een dag fietsten Kriesje en Martje door Chaam met een ‘coupe soleil’. Kiske was er jaloers op en probeerde het ook, maar het werd uiteindelijk ‘coupe zure regen’. Sjaokske was dun gehaard en om het voller te laten lijken toupeerde hij zijn haar. Na verloop van tijd werd dat ‘coupe windhoos’. Aan Dré was dat allemaal niet besteed. Hij hield het al jaren bij ‘coupe schaap’.
Kaal
Ad was al vroeg kalend. Hij liet het haar aan de zijkanten extra lang groeien om het over zijn kalende hoofd te kammen en zijn kaalheid te verbergen. Als de wind verkeerd stond waaide het haar terug naar de zijkanten wat leidde tot ‘coupe Catweazle’. Koske had hetzelfde probleem en schafte daarom een toupetje aan. “Agge ’t goed vastplakt dan hèèt de wend er ommes gin vat mir op”, legde hij uit.
Geföhnd
Onze leraar handvaardigheid was een langharige met bakkebaarden en een Burt Reynoldssnor. Op een keer had hij zijn haar geföhnd en de kraag van het overhemd over zijn colbertjasje gevouwen. We vroegen aan pa om dat ook te doen, maar daar wilde hij niets van weten. Pa was een overtuigde overall dragende kortharige.