Op een dag kregen we een nieuwe buurjongen. Hij was net met zijn vader en moeder in Chaam komen wonen, tijdelijk naast ons in de oude boerderij van Verhees. De nieuwe buurjongen heette Robbie. Zijn vader werkte bij de Jeugdherberg aan de Putvenweg.
Door Berry van Oers
Frèèt
Robbie keek over de heg om kennis te maken. “Hoe hitte gij”, vroegen wij. “Ik heet Robbie”, zei hij. “Gaode gij merregevruug mee òòs mee naor schòòl Robke”, vroegen we. “Ja, leuk tot morgenochtend”, zei Robbie. “Hij praot wel frèèt”, zei ma.
Knallie
“Wie is die juffrouw”, vroeg Robbie. “Des de invaljuffrouw Robke, een knallie as ze het aon hèèt”, waarschuwden we. “D’n dieën op zunne brommer is de mister, des unnen aorige!” Zo werd Robbie snel wegwijs gemaakt in het Chaamse schoolleven. “Waar is het toilet, want ik moet drukken”, vroeg hij. “Aachter die halleve gruune durkes”, zei Koske.
Rijker
“Jullie praten helemaal anders dan wij”, zei Robbie. “Chaomse meesen praoten Chaoms”, legde Kiske uit. Gelukkig voor Robbie sprak de meester wel gewoon Nederlands. Maar tot Robbie’s verbazing gebruikte de meester de ‘Chaomse Taol’ om ons de Nederlandse taal te leren. “De Chaomse Taol is veel rijker dan het Algemeen Beschaafd Nederlands”, vertelde de meester.
Zijn of haar?
Tijdens de taalles zei de meester dat je onzijdige woorden meteen herkent want daar kun je ‘het’ voor zetten, zoals ‘het bestuur’. Daar kun je bijna altijd ‘zijn’ voor gebruiken: het bestuur koos ‘zijn’ secretaris. Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden is moeilijker, want daar kun je in het Nederlands allebei ’de’ voor zetten, zoals de hond, de aap, de koe, de vereniging, de gemeenteraad, enz. Hoe weet je dan wanneer je ‘zijn’ of ‘haar’ moet zeggen?
Mannelijk
De meester leerde ons dat als je wil weten of een woord mannelijk of vrouwelijk is, je dat woord moet vertalen in de Chaomse Taol. Als je er ‘unne(n)’ voor kunt zetten is het bijna altijd een mannelijk woord. Zo zijn een hond en een aap mannelijke woorden want in de Chaomse Taol zeg je ‘unnen hond’ en ‘unnen aop’.
Vrouwelijk
Een woord is bijna altijd vrouwelijk als je er ‘un’ voor kunt zetten. Zo is een koe een vrouwelijk woord want in de Chaomse Taol zeg je ‘un koei’. “Zo weet je bijna altijd of je ‘zijn’ of ‘haar’ moet zeggen als je het over honden, apen of koeien hebt”, zei de meester.
Oefenen
Robbie leerde snel. “Het is ‘un’ eikel”, zei hij toen Jantje hem pootje lapte. “Fout Robke”, riep Kiske, “Tis ‘unnen’ eikel in het Chaoms”. “Oei, mannelijk dus”, zei Robke. Onderweg naar school oefende Robbie volop. Op de heenweg de mannelijke woorden: “Unne lantaarnpaal, unne vrachtwagen, unne stoel, unne stal.” En op de terugweg de vrouwelijke woorden: “Un vrouw, un trui, un bloem, un koe.”
Sjo
Ons tante Sjo begon de eerste letter van een woord vaak met een ‘n’. Ze zei dan: “We hebben unnen nond in nuis en unnen nezel en unnen nos in de kerststal.” We schepten op dat wij ‘unnen nechte naop in nuis’ hadden. Tijdens ons bezoek kregen we ‘unnen nappel’ van ome Jaon en schonk tante Sjo thee. “Zet oew kommeke mar op dun naorecht”, zei ze dan als het leeg was.
Hedde gij
Een wei is een waai, hei is haai, prei is praai, kei is kaai, allebei is allebaai, maar een kraai is geen krei, een vlaai geen vlei, een papegaai geen papegei en een aardbei geen aardbaai maar een errebeesje. ‘Ben jij’ is ‘zedde gij’ of ‘bende gij’, maar ‘heb jij’ is niet ‘hebde gij’ maar ‘hedde gij’. Robbie raakte er van in de war. “Wij gaan verhuizen”, zei hij.