Wij hadden een pad dwars door onze hof achter het huis. Bijna iedereen in Chaam had zo’n hofpad. Het was het eerste pad in ons leven waar we overheen liepen. Op d’n hofpad begon het. Vandaaruit verkenden we nieuwe paden, eerst naar school en dan naar het Teskesbos, Snijders, Grazen, ’t Putven, de stad en verder.
Berry van Oers
Lopen
Op d’n hofpad leerden we lopen. Daarna stapten we op de step en toen volgde al snel de fiets. Pa stak dan een stok achter in de bagagedrager en liet zonder ons te waarschuwen ineens los. Als we dan het einde van d’n hofpad haalden zei pa: “Nou kundet!”’
Veilig
Op d’n hofpad werd geknikkerd, getennist, geëlastiekt, touwtje gesprongen en hoepke gefoept. Op d’n hofpad was het vertrouwd en veilig. D’n hofpad lag achter het huis en zo kon je niet per ongeluk op straat lopen “en onder n’n waogen terecht kòmen of meegenòmen worren deur de pakkemannen”, waarschuwde ma dan.
Tuin
In het Nederlands noemen ze een ‘hof’ een ‘tuin’ en een hofpad een tuinpad, maar in de ‘Chaomse Taol’ heet een tuin nog steeds een hof en een tuinpad een hofpad. Een tuin betekent in de ‘Chaomse Taol’ een haag of heg waarmee d’n hof is omzoomd en als erfafscheiding.
Mulder
Bij Kiske thuis hadden ze een ligustertuin rond d’n hof en tussen ons en de boerderij van Jos Verhees stond een beukentuin. Daarin woonden meikevers. “Kekt, daor zit unne mulder in d’n buukentuin”, zei pa dan. De pastoor had langs zijn hofpad een tuin van hulst staan. Daar plukten we in de kerstvakantie stiekem takjes van om kerststukjes te maken.
Stekken
Langs onze hofpad stonden palen met daaraan een draad. Ma hing daar in rechte lijn de was aan te drogen. Ze zette de lakens vast met houten ‘stekken’ uit het ‘stekkenemmerke’. Ze had ze gekocht van Joske uit ’t Haaike, die er mee langs de deur kwam. In het voorjaar plantte ma bloemetjes langs d’n hofpad, Afrikaantjes afgewisseld met Salvia’s.
‘Kòòlassie’
Ma gooide as uit de kachel op d’n hofpad. “Kòòlassie”, noemde ze dat. Dan groeide er geen onkruid en bleef d’n hofpad ook als het lang regende hard en goed begaanbaar. Later plaveiden we d’n hofpad met stenen van het oude huis. In de winter ‘slibberden’ we over de sneeuw in d’n hofpad. De stoep achter het huis was onze lanceerbasis.
Labbonen
Aan weerskanten van d’n hofpad kweekte pa allerlei groenten. “Kekt toch us wan schòòn gruuntes”, zei hij dan trots tegen ma. Pa kweekte er kropsla, radijsjes, spinazie, sperzieboontjes, worteltjes, peultjes en vooral tuinbonen. “Labbonen”, noemden we die. We bespoten de labbonen met zeepsop tegen de luizen. Ma mocht de labbonen pellen en klaarmaken, met stukjes spek.
Hofdame
Later werd ma de baas in d’n hof. Als hofdame verving ze pa’s groenten meteen door bloemen. “Kekt toch us wan n’n schòne blomhof”, zei ze dan trots tegen pa als ze over d’n hofpad liep. Soms zou je wensen weer even terug te kunnen gaan naar die hofpad van toen. Maar dat kan niet meer. Langs d’n hofpad van ons vader zag ik de hoge bomen staan. Ik was een kind, hoe kon ik weten dat dat voorgoed voorbij zou gaan!