Cafépraat is een speciaal genre. Cafépraat kan overal over gaan, meestal over het weer maar ook over sport, het werk, de politiek of over nergens. Er zijn cafépraters die op een kruk over de toog hangen. Je hebt ook cafépraters die blijven staan om meteen te kunnen toeslaan.
Door Berry van Oers
Retting
Aan cafépraat gaat contact leggen vooraf. “Hedde gij ’n vuurke veur mijn”, was ooit de populairste aftrap. Een slimme manier om contact te leggen is naar het spel van de biljarters te kijken en dan te vragen aan je tooggenoot: “Hoe zode gij ‘m genòmen hebben?” Een andere tactiek is om te trakteren. “Gift ‘m ok wa van mijn!” Of wanneer het niet druk is: “Gif ze ammaol mar wa van mijn!” Koske legde contact door aan iemand die voorbij liep te vragen: “Zeg, witte gij wa ne retting is?”
Stoefers
Als dan eenmaal de eerste contacten gelegd waren kon de cafépraat beginnen. Je had verschillende soorten cafépraters. “Ik speul wel vier gemiddeld mee driebaanden en gij?”, vroeg Nolleke dan. Hij was een opschepper. “Unne stoefer”, zou opa zeggen. Sjaokske kon er ook wat van. “Ik kan er vunnaovond goed tegen”, stoefte hij dan met dubbele tong al na het derde pilsje.
Overdrijvers
“Vruuger kon ik een hèèl vat allèèn op”, beweerde Joske. Hij was een overdrijver. Maar tegen Jantje van de fietsclub kon hij niet op. “Ik rij mee gemak feftig in ’t uur”, overdreef Jantje dan. Kriesje spande de kroon. “Ik staoi al een uur te wochten”, klaagde hij na het bestellen van een pilsje. “Ik heb het al honderdduzend keer gezèèt”, zei Kiske dan.
Lullenmaaiers
Fraaske kon goed uit zijn nek lullen. “Het is unnen lullenmaaier”, zou opa zeggen. “Hoe laoter op d’n aovond hoe beter ik zie, want bier verdubbelt oew ziecht”, lulde Fraaske. Joefke wist ook hoe het moest. “Het lèven is net munne neus, ge mot er uit haolen wat erin zit”, zei hij. Fraaske en Joefke lulden de hele avond vol en lachten om elkaars ‘belegen’ mopjes. De enige zorg van de lullenmaaiers was de naderende sluitingstijd.
Eenkennigen
Eenkennigheid deed het ook goed in het café. “We worren overspoeld”, klaagde Wimmeke dan. “Strak speulen zullie d’n baos en praoten we ammaol stads en kent niemand de Chaomse Taol nog”, waarschuwde Johnneke. Als Sjanneke hem ‘voeierde’ werd hij nog feller. “Chaom mot Chaom blijven!”, krijste Johnneke dan.
Adviseurs
Wie in het café zijn oor te luisteren legde had geen adviesburo nodig. Gartje en Pietje gaven gratis adviezen als ze in het café waren. Ze dachten precies te weten hoe alles moest worden aangepakt, of het nu over de Harmonie, de Voetbalclub of de Acht van Chaam ging. “Det motte zo doen, want zo doen ze het in Etten ok”, zeiden de Chaamse ‘consultants’ dan.
Moppentappers
Tontje bleef hangen aan de toog bij Van Opstal aan de Gilzeweg nadat hij zijn duiven had ingemand. “Zeg Neel, witte gij dagge mee duiven rijk kunt worren? Agge ze ’s mèrreges verkopt hedde ze ’s aoves wir trug!”, lachte Tontje dan. Bij Beverly Hill aan de Ulicotenseweg was het ook dikwijls prijs als Tommeke aan de toog zat. “Zeg Nel, witte gij wat er in Bels op d’n bojem van het zwembad staot? Verboden te roken!”, kakelde Tommeke dan. Ome Willem woonde in Alphen en werkte in Breda. Onderweg naar huis reed hij altijd even aan bij het Smullekuiltje. “Zeg Lies, witte gij werrom wij in Allefen gin Chaomse honing lussen? Omdat er een bijsmaokske aon zit!”, grapte Willem dan op z’n Alphens.