Toen wij op de kleuterschool aan de Gilzeweg zaten, vroor het in januari bijna altijd dat het kraakte. Dat had je in die tijd. Wekenlang was het meer dan vijf graden onder nul, soms wel tien. Je wende aan de vrieskou. Als het vroor kraakte het overal. “Des ommes d’n tijd van ’t jaor”, zei opa dan.

Door Berry van Oers

Kranten

Al in de herfst spaarde pa oude kranten op. Zodra het begon te vriezen wikkelde hij ze rond de waterleidingbuizen zodat ze niet bevroren. Soms liet hij de kranten rond de buizen zitten waar ze zaten. Jaren later troffen we ze aan en lazen we wat er vroeger actueel was. Als het vroor dat het kraakte namen we een kruik mee naar bed en keken we uit naar de ijsboeketten op de ramen in de vroege morgen.

Sokken

Stratenmaker ome Jos zat al maanden in het vorstverlet. Ome Mart niet. Hij fietste elke dag naar zijn werk. Als het vroor dat het kraakte deed hij altijd een krant onder zijn jas. “Om werrem te blijven”, zei Mart. Opa hield zijn voeten vorstvrij door hooi in de klompen te doen. Over zijn klompen trok hij bij gladheid oude sokken aan. “Dan valde ommes nie op oewen snufferd”, legde opa uit.

Washandje

Wij hadden een lichtbeige Ford Prefect met een grote neus. Als het vroor dat het kraakte startte de motor niet. Dan haalde pa de slinger uit de kofferbak en slingerde de Ford aan, terwijl ma achter het stuur zat om gas te geven zodra de motor aansloeg. Soms bevroor de carburateur. Pa ontdooide die dan met een nat heet washandje. Dat hielp, maar je moest onderweg de motor niet even afzetten.

Antivries

Soms dreigde de radiateur van onze Ford te bevriezen. Pa stak er dan een krant voor en haalde bij ‘den Bluuj’ verse antivries voor in de radiateur. Sjaorel nam aan de toog bij Toke ook altijd extra ‘antivries’ als het vroor dat het kraakte. “Veur nie te bevriezen”, legde hij dan uit met dubbele tong. Bij Koske thuis bevroor de stortbak van de WC die buiten in een apart hokje stond. Bij oma hadden ze ook zo’n ‘schijthuis’. Bij vorst kreeg je een emmer warm water mee als je naar ‘het huske’ moest.

‘Glijen’

Wanneer het vroor dat het kraakte gingen we ‘glijen’ op het Zwartven. Girtje wedde met Koske dat hij het verst op het ijs durfde te glijden. Druipnat en bibberend bracht Koske hem thuis. Soms bevroren je oren bijna. Als je dan terug thuis kwam begonnen ze te gloeien. Dat kon best ‘zeer’ doen. Voor de kachel draaiden we onszelf telkens om, zoals bij een gril, om aan alle kanten op te warmen.

Boerentoppen

Intussen bracht ma de boerentoppen op de kachel aan de kook. De kookgeur bleef hangen. Afzuigkappen kenden we niet en het was te koud om de ramen open te zetten. Ze waren trouwens vastgevroren. Wanneer het vroor dat het kraakte zette melkboer Kees zijn flessen melk niet voor de deur maar bracht ze binnen en maakte dan een praatje. Hij had gehoord dat Koske met zijn tong was vastgevroren aan de stang van het bruggetje bij het Kapelpadje, na een weddenschap met Girtje.

Reinier

Tante Sjo en ome Jaon hielden van de winter. Dan gingen ze vroeg naar bed. Nadat Jaon was overleden legde Sjo voortaan een beddenpan met hete kolen tussen de lakens. Pa niet. Die zat om de week ‘in de late’ en was dan overdag thuis. Toen we op een vrijdag van de kleuterschool kwamen zat hij bij de radio naar de uitslag van de Elfstedentocht te luisteren. Pa vertelde dat Reinier Paping had gewonnen. Dat klonk exotisch, want in Chaam heette het manvolk destijds gewoon Kiske, Koske, Girtje of Tontje. Maar dat was toen het in januari in Chaam nog vroor dat het kraakte.