Onlangs werd in de krant gewaarschuwd voor malafide schoorsteenvegers. Wij hadden daar geen last van. In het voorjaar, als de kachel uit kon, kwam Lowie uit ‘Gòòl’ altijd langs. Hij was ‘wijd weg’ nog familie. “Tis tijd om de schouw te vègen”, zei hij dan. Volgens Lowie moest de schoorsteen na een winter lang stoken geveegd worden, want anders riskeerden we koolmonoxidevergiftiging. Hij hoefde ons niet te overtuigen, want Ome Drik en tante Han uit De Leur waren daar alle twee aan overleden. Lowie leverde goed werk maar had wel zijn prijs. “De schouw mot blijven ròken”, zei hij dan.
Door Berry van Oers
Geluk
Soms bracht Lowie zijn maat Toon mee. Lowie was dan de ‘bovenman’ en Toon de ‘benedenman’. Als Lowie de ‘ramoneurs’ door de schoorsteen trok ving Toon de rotzooi op. Ze vertelden dat schoorsteenvegers geluk brachten, omdat ze ‘schouwbraandjes’ en ‘kòlendaamp’ voorkomen. “Ge ziet òòs darrom ok wel us op kerst- en noewjaorskaorten staon as geluksbrengers”, legden ze uit. Lowie beweerde zelfs dat meisjes voordat ze gingen trouwen hem altijd even aanraakten. Ze geloofden dan dat ze een gelukkig huwelijk tegemoet gingen.
Kraai
Ome Jaonus uit Merksplas vertelde dat er bij hem in de schouw ooit een kraaiennest zat. De kraaien hadden hun nest takje voor takje gebouwd. Op een keer was er een kraai tijdens de bouw naar beneden gevallen in de schouw. De kraai kon er niet uit. Ome Jaonus en tante Sjo hoorden de vogel de hele tijd met zijn vleugels ritselen. Jaonus heeft de kraai er toen van beneden af via de kachel weten uit te halen en gered. “Munnen held”, zei Sjo.
Roet
Lowie maakte ons wijs dat ‘zwarte Piet’ eigenlijk ook ooit een schoorsteenveger was. Hij was helemaal zwart geworden van het roet. Met zijn roe van takken maakte hij de schoorsteen vakkundig schoon. Al het roet dat hij uit de schoorsteenpijp haalde verzamelde hij in een grote zak en droeg die dan op zijn rug over de daken weg. Later zou hij in dienst gegaan zijn bij Sinterklaas.
Hammen
Wanneer we bij opa op bezoek waren mochten we op de divan zitten naast de kachel. Daar zaten we goed want naast de schoorsteen stond een kast waar de hammen inhingen die opa in de schoorsteen gerookt had. Hij klemde zo’n ham dan tussen zijn benen en sneed er met een groot mes in één haal een laagje rood vlees af. Wij kregen altijd een stukje van opa en ‘zunnen’ hond ook.
Simmetje
Wij woonden aan de Ulicotenseweg, vlakbij café ‘De Veehandel’. Als het kermis was zat er daar levende muziek. Pa fungeerde dan als uitsmijter en ma werkte er achter het buffet. Wij hoorden vanuit de kinderkamer het orkestje het liedje ‘Hup, zei m’n simmetje daar gaat ie weer door de schoorsteen op en neer’ spelen.
Graaf
Het lied over die schoorsteenveger was populair want het werd meerdere malen tot ’s avonds laat toe door de kermiszangers ingezet. ‘s Anderendaags kenden we dat liedje over ‘simmetje’ van buiten. Maar van juffrouw Frank mochten we dat op het schoolplein niet zingen. “Ik zag twee beren broodjes smeren”, leerde ze ons. Maar daar geloofden wij niks van.
Vogelverschrikker
Schoorsteenvegers hadden een streepje voor. Omdat ze de schoorsteen van de keuken moesten vegen waren ze vaak de enige vreemde mannen die daar mochten komen, het domein van ‘moeder de vrouw’. “Al is de schoorsteen nog zo nauw, ik klim erin en ik veeg hem gauw”, zong Lowie. “Ik kan oe ok in d’n hof zetten as vògelverschrikker”, zei ma dan.